Oct 28 2017

Merel

Ik stond op het plaatsje bij de achterdeur, in mijn pyjama, aan mijn voeten de oude gummi laarzen van mijn moeder. Het rook daar op de binnenplaats naar vochtige klei, alsof het net geregend had. Zo vroeg was het nog, de zon kleurde de wolken rozerood. Vlagen wind kwamen over de hoge muur de tuin binnenvallen en bliezen mijn haar alle kanten op. Altijd waaide het hier, daar moest ik blij mee zijn. De Zeeuwse wind ging er voor zorgen dat ik niet meer ziek werd. Mijn moeder had het zelf gezegd. Gezonde wind, proef maar op je lippen, het zout van de zee.

Recht tegenover me, in de grote pruimenboom, op een tak die schuin omhoogstak, zat een koolzwarte vogel die me nieuwsgierig aankeek. Opeens priemde hij zijn oranje snavel de lucht in alsof hij zich groter wilde maken dan hij was en begon te zingen.

Dit was het lied dat mij naar buiten had gelokt. Een paar klanken, heel in de verte. Even had ik gedacht dat ik mijn moeder hoorde en meteen was ik het bed uitgesprongen. Zoals deze vogel, zo zong mijn moeder. In de kerk, jubelend boven de dreun van het orgel uit, licht en helder.

Toen de vogel stilviel en de veren recht ging poetsen die in de war waren geblazen door een windvlaag, durfde ik iets tegen hem te zeggen. Mama is in het Hospitaal, fluisterde ik, maar ze komt snel weer thuis. De vogel knikte met zijn kop. De vogel weet het al, dacht ik. Hij ging weer rechtop zitten en zong nog een keer zijn liedje, dat nu een stuk langer leek, met nieuwe geluiden aan het eind, tik-tik, hoewoei.

Als ik groot ben mag ik schieten met het geweer van mijn vader, zei ik. Meteen was de vogel stil. Nee, niet schieten op vogels, zei ik er haastig achteraan, alleen op mensen. De vogel stak de punten van zijn vleugels naar achteren en zong nog harder dan de vorige keer.

Nu hoorde ik de woorden die bij het liedje pasten: K ben een Pieper. Ktsjie. Ktsjie. Jaha ik ben een Pieper! Tik-tik. Hoezee! Van enthousiasme, dat ik kon verstaan wat de vogel zei, klapte ik in mijn handen.

Meteen draaide de pieper zijn zwarte kop en keek me met één oog doordringend aan. Een donker oog, flonkerend in het ochtendlicht, met daar omheen een gele ring. Hoe langer ik naar de vogel keek, hoe groter het oog leek te worden, tot het bijna zo groot was als de pruimenboom, een glimmende zwarte bol met een helgeel lint.
Zo vriendelijk mogelijk keek ik terug en vouwde mijn armen achter me om te laten zien dat ik geen kwaad in de zin had. Het was niet genoeg. De pieper wipte naar een andere tak, wierp nog een scherpe blik mijn kant op en vloog weg met een boze roep, kek-kek-kek.

Op het plaatsje bij de keukendeur bleef ik wachten zo lang ik kon, mijn hand op de klink, rillend in mijn pyjama. Hoorde ik de pieper zingen, daar heel in de verte?

 


Oct 28 2017

Adelaar

Dokter was de aardigste man die ik ooit had ontmoet. Alleen als hij het ijskoude plaatje van de stethoscoop op mijn ribbenkast zette vond ik hem even helemaal niet aardig. Zucht eens, zei hij dan. Eindeloos duurde het (en nog een keer zuchten) voor dat ding een beetje was opgewarmd.

Dokter knikte en keek de huiskamer rond waar de kleine asbak gebleven was. Die zette hij voor zich op tafel en terwijl hij aantekeningen maakte op een grote, al bijna helemaal volgekrabbelde, systeemkaart rommelde hij met de andere hand in de dokterstas. Dokter rookte Egyptische sigaretten uit een langwerpige blikken doos beplakt met kleurig papier. Daarop zag je een man met een snorretje en een rode fez op zijn hoofd, omringd door onbegrijpelijke tekens die misschien wel letters moesten voorstellen in een niet uit te spreken taal. De sigaretten van Dokter waren niet gewoon rond maar ovaal, er stonden gouden lettertjes op het sigarettenpapier en ze verspreidden een heerlijke zoete geur, heel anders dan de Virginia’s die gewone mensen rookten of de zware shag van Vader. En ik mocht de sigaret voor hem aansteken.

Het gaat niet onaardig met meneer, zei Dokter, dat is mij wel duidelijk. En hoe voelen wij ons?
Steeds beter, riep ik haastig.

Dokter knikte, de sigaret smeulend tussen zijn vingers, de rook spiraalde omhoog in twee lijntjes die om elkaar heen draaiden. Met dank aan het nieuwe middel, zei hij, de Amerikanen zijn steeds precies op tijd met hun wonderpilletjes. Glimlachend keek hij naar de meterslange barst in het plafond van de woonkamer. Was er geen oorlog geweest, zei hij, het hoofd nog steeds in de nek, dan had de noodzaak ontbroken om zoveel te investeren in antibiotica. Wees er maar blij mee, jongmens.

Je mag weer naar buiten. En naar school. Maar voorlopig nog geen lichamelijke oefening. Eerst wat aansterken. Ik maak een briefje, zei Dokter, aan je vader en je moeder. Mijn wangen werden rood, ik voelde het. Gelukkig was de dokter druk met schrijven.
Maak je niet teveel zorgen over je moeder, zei Dokter zachtjes, terwijl hij gewoon doorschreef. Zenuwzwakte. Bijna altijd tijdelijk van aard. De prognose is goed. Dokter keek me nu recht in de ogen en zei er achteraan: Ik verwacht dat ze spoedig weer aan de beterende hand zal zijn.

Ooit zullen we de juiste remedie vinden, zei Dokter, ook voor problemen in de psychologie van de mens. Hij vouwde het briefje aan mijn ouders dubbel en stak het zorgvuldig met een punt onder de raffia fruitmand die midden op tafel stond, waar al maandenlang drie hazelnoten in lagen naast een houten notenkraker.

Zo, zei hij, en nu heb ik nog iets dat ik je wil laten zien. Ik kreeg een brief van een collega uit Amerika, per luchtpost, flinterdun papier. Daar zat een postzegel op, die heb ik laten afweken door mijn vrouw. Hij rommelde in zijn dokterstas. Kijk, hier hebben we het exemplaar.
Uit een doorzichtig kunststoffen doosje kwam een blauwe postzegel. Air Mail stond er op, en U.S. Postage. Vier dollarcent, zei Dokter. Vind je hem niet mooi?
Ik vond het de mooiste postzegel die ik ooit had gezien.

De nationale vogel van de Verenigde Staten, zei Dokter. Zie je die reusachtige vleugels? Een patiënt van mij, een vliegenier, vertelde dat hij tijdens een oefening in Amerika deze vogel zag. Vanuit de cockpit van zijn vliegtuig. Op meer dan vier kilometer hoogte! Stel je voor, de hele aardbol, de hele mensheid bezien van vier kilometer hoogte!

Je mag hem hebben, zei Dokter. Als je hem heel netjes bewaart.

Jij en ik, zei Dokter, terwijl hij zijn hoofd in zijn nek legde en omhoog tuurde alsof hij door het plafond heen kon kijken, wij zijn adelaars. Liefst zouden we hoog boven de aarde zweven en alles bestuderen wat hier beneden gebeurt.
Ik begreep niet wat de dokter daarmee bedoelde, maar gelukkig maakte dat niet uit want Dokter was bezig zijn spullen te verzamelen, hij klikte de tas dicht en stapte naar de deur. Denk eraan, zei hij, de deurklink in zijn hand, geen ongeschilde komkommer eten. Sterk hydrofoob, komkommerschil. Niet goed voor de maagwand. En nu: Tabee!


Oct 28 2017

Kwikstaart

Elke dag liep ik naar de slaapkamer van mijn moeder, aan de achterkant van het huis. Dan ging ik op haar bed liggen, mijn hoofd op haar kussen, tot ik de vertrouwde geur weer rook. Dat was genoeg. Daarna knielde ik neer bij het raam, mijn armen leunend op de vensterbank en keek naar buiten om te zien wat zij ook zo vaak gezien had.

Recht achter het huis lag op een verhoging een grote bunker met daaromheen honderden jonge boompjes. Dun en ielig waren ze nog, zelfs nu de blaadjes weer begonnen te groeien. Door het gebladerte heen kon je de hele bunker zien, de grove betonnen muren, het grote platte dak waaruit roestige luchtpijpen omhoog staken, de afgeronde hoeken.

Nu ik weer naar buiten mocht kon ik gewoon naar de bunker toe lopen, mijn hand op het ruwe beton leggen, er bovenop klimmen via een trapje met roestige spijlen om door de ijzeren kokers naar binnen te turen. Helemaal veilig voelde ik me daar niet. Bunker van de vijand.

Ooit had er op het veld achter het huis nog een bunker gestaan, maar die was opgeblazen. Daar was niets meer van over dan een slordige hoop betonbrokken waar roestige staven uit staken die in rare lussen en hoeken waren gebogen. De kuil die de springstof had geslagen was volgelopen, de overblijfselen van de oude bunker lagen nu op een eilandje omringd met muf bruin water.

Buiten het zicht van het huis kon ik over een smalle landtong bij het betonpuin komen. Mijn plan was om een paar grote stenen te vinden. Stenen optillen, daar kreeg je spierballen van. In de krant had ik een advertentie gezien van Charles Atlas, de meest gespierde man ter wereld. Zo sterk worden als hij, ja dat wilde iedere jongen wel en daarvoor hoefde je per dag hooguit vijftien minuten te trainen. Vijftien minuten! Dan kon ik mijn vader de trap op dragen, als het nodig was. Nou alleen nog een goed gewicht vinden om mee te oefenen. De eerste steen was zo scherp dat de randen pijn deden aan mijn vingers. De tweede was te zwaar, daar kreeg ik geen beweging in. Toen zag ik het vogeltje.

Het was een kleine zwart-witte vogel die over de stenen trippelde, linksaf, rechtsaf, alsof hij steeds werd afgeleid, om dan snel iets op te pikken. Zaadjes misschien, of insecten. Hij keek onophoudelijk naar alle kanten om zich heen, met kleine bewegingen van zijn kop, maar het leek alsof hij mij niet zag. Misschien was ik voor hem ook een soort steen, veel te langzaam.

Soms leek het vogeltje op een zwart-witte muis, zoals hij tussen de stenen door dribbelde, dan opeens sloeg hij de vleugels uit, vloog een paar meter naar een ander rotsblok en begon weer van voren af aan, waarbij hij soms gewoon in het water stapte. Het gekste was zijn staart, die bijna net zo lang was als de rest van zijn lijf en recht achteruit stak. Die staart leek helemaal uit zichzelf te bewegen, omlaag en omhoog, steeds als het dier stilstond. Nog een keer omlaag en omhoog, en dan kon hij weer verder.

Staartmees, zei ik hardop. Deze vogel moest wel staartmees heten, dat kon niet anders. Hoe meer ik naar hem keek, hoe vreemder hij werd. Die vogel trok zich niks van mij aan. Ik wist niet wat hij daar deed, ik wist niet waar hij woonde. Achter hem aanrennen, terwijl hij naar het bos vloog? Ik zou nooit weten waar zijn nest was.
Ik keek naar het brok puin waarop hij daarnet nog zat. Geen staartmees. Niet tussen de betonbrokken. Niet op het land er omheen. Hing hij ergens hoog in de lucht naar mij te kijken? Nee, nergens meer te zien.

Honderd staartmezen, dacht ik. Als ze elk een hoekje van mijn kleren pakten, als ze me stevig vasthielden met hun snavels, konden ze me optillen en meenemen naar hun eigen huis.


Oct 28 2017

Vredesduif

Op zaterdagmorgen werd er aangebeld. Dat moest de knecht van de bakker zijn. Waarom zette hij de broden niet gewoon binnen? Was Vader weer vergeten de rekening te betalen?

Ik trok de voordeur open. Op de stoep stonden twee vrouwen in regenjas, met fleurige hoofddoeken om, geel en bruin met gouden banen, precies zo’n hoofddoek als mijn moeder soms droeg. Ze keken vriendelijk, ze hadden allebei drie doosjes in hun handen.

Dag jongen, zei de vrouw met de bruine krullen die het meest op mijn moeder leek, is je moeder misschien thuis. Nee, antwoordde ik, ze is boodschappen doen.

Het zit namelijk zo, zei de vrouw, wij zijn van een internationale organisatie, die de vrede bevordert. Je weet vast wel wat dat is, vrede. Ik knikte. Wij willen dat iedereen in vrede kan leven. Overal op de wereld. Lijkt dat je geen goed idee? Ik knikte nog een paar maal. Daarom verkopen wij deze bordjes. Ze kosten maar een rijksdaalder. De vrouw gaf me een blank porseleinen bordje in handen, verpakt in een kartonnen doos, zo uitgesneden dat je kon zien hoe het bord beschilderd was. Een sierlijke tekening van een duif stond er op, met een enkele lijn weergegeven. Pienter keek de vogel de wereld in, een takje in zijn snavel.

Pour la Paix.

Ik rende de trap op, de doos met het bordje in mijn hand. Bij de kamer van mijn vader gekomen aarzelde ik even, klopte dan aan en gooide meteen de deur open. Mijn vader lag op bed, bovenop de dekens in zijn witte ondergoed, zijn ogen dichtgeknepen alsof er een fel licht in scheen. Of we een bordje willen kopen voor mama, riep ik buiten adem, kost maar een rijksdaalder.
Een rijksdaalder, zei Vader. Hij wierp een blik op het bordje en was meteen klaarwakker. In mijn huis, riep hij, wat denken ze wel! Hij kwam overeind uit het bed, griste het bordje uit mijn handen en beende de gang op.

Het duurde even voor ik begreep wat mijn vader van plan was. Ik liep achter hem aan, Vader, wacht, riep ik. Mijn vader was al halverwege de trap naar beneden.

Toen ik aankwam bij de voordeur stond Vader buiten op de stoep, zijn grote witte onderbroek fladderend om zijn bleke benen. Ga die flauwekul maar in Moskou verkopen, riep hij achter de vrouwen aan, die op de terugweg waren naar de stad, verschrikt achterom keken, elkaar bij de arm pakten en het op een hollen zetten. Stelletje bolsjewieken! Salonsocialisten!


Oct 28 2017

Zilvermeeuw

Ik wist niet naar welk hospitaal mijn moeder was gebracht, maar opeens kwam het idee in me op. Ze lag natuurlijk in ons eigen ziekenhuis, hier in Middelburg. Zo vlakbij! Mijn wangen gloeiden als ik eraan dacht.

Zou mijn vader het een goed idee vinden dat ik bij haar op bezoek ging? Misschien niet. Vader ijsbeerde de hele dag door het huis, de hand met de sigaret naast zijn hoofd, duim tegen zijn slaap, zo diep moest hij nadenken. Soms rende hij naar de telefoon in de gang, dan ging hij iemand bellen die kon helpen. Ik dacht dat het beter was om hem niet te storen.

Mijn eigen fiets stond al maanden met twee lege banden in de bijkeuken. De oude fiets van mijn moeder was nog wel bruikbaar. Stilletjes duwde ik hem naar buiten, de poort door naar de straat. Het was een grote fiets. Als ik op het zadel ging zitten kon ik niet bij de pedalen, maar staande fietsen was wel een tijdje vol te houden. Het ging in ieder geval sneller dan lopen.

Een van de eerste dagen na de verhuizing ging mijn moeder een brief wegbrengen naar het postkantoor. Ik mocht niet mee natuurlijk, ik was ziek. Maar ze beschreef hoe ze naar het postkantoor ging fietsen. Daar vlakbij was het ziekenhuis. Dat moest ik kunnen vinden.

Ik fietste naar de markt, sloeg voorbij het oude stadhuis linksaf naar het postkantoor en van daar af reed ik zo langzaam, staand op de trappers, dat mijn moeders fiets bijna omkiepte, terwijl ik me afvroeg waaraan je een ziekenhuis kon herkennen. Het bleek heel eenvoudig, want ik reed recht op een groot gebouw af, een lelijk gevaarte van rimpelige gele baksteen waar een zuster met een wit kapje op haar hoofd de deur uit kwam lopen.

In de hal van het ziekenhuis hing een scherpe lucht, die me deed denken aan het ontsmettingsmiddel uit de medicijntrommel van mijn vader. Aan mijn linkerhand was een schuifraam waarachter een mevrouw zat die me vriendelijk aankeek. En waar wil jij naartoe, vroeg ze. Naar mijn moeder, zei ik. Hoe heet je moeder dan, vroeg de vrouw, terwijl ze begon te bladeren in een dik boek dat voor haar op tafel lag. Van Alkemade, zei ik. Je weet niet op welke afdeling? Misschien wist ik dat wel maar ik wilde er niet over praten. Eens even kijken, zei de vrouw, bladerend. Alkemade kan ik niet direct vinden. Wanneer is ze opgenomen? Vijf dagen geleden, zei ik. Ze schudde haar hoofd, en zei Ik denk niet dat ze in dit boek staat, dus..

Te laat schoot het mij te binnen, mijn moeder had natuurlijk een andere naam opgegeven, de achternaam van opa. Van der Weele. Nog een keer vragen? De vriendelijke mevrouw had het veel te druk en voordringen durfde ik niet. Aarzelend stond ik midden in de hal toen er een grote familie voorbij kwam die mij omringde en als vanzelf meenam het ziekenhuis in. De kleuters naast me keken nieuwsgierig naar mij omhoog.
Eindeloos lang waren de gangen, steeds onderbroken door grote deuren die krakend en piepend heen en weer zwaaiden. Links en rechts zalen waarin bedden stonden. Ik zag mannen, achterover liggend op stapels kussens, met het hoofd opzij gezakt en hun mond wijd open. Waren ze dood? Het zou best kunnen.

De familie stroomde een kamer binnen en liet mij achter op de gang. Hier waren de zalen kleiner, nog maar zes bedden. Ik zag een vrouw in een bed zitten, naast haar een standaard met een zak water waar doorzichtige slangetjes aan hingen. Hier ergens moest mijn moeder zijn.
Buiten bij de deur van de zaaltjes hing een bordje met papieren stroken. Wisse. Mesu, De Koeijer. Lilipaly. Bij elke deur tuurde ik op de bordjes, maar de goeie naam zat er niet tussen.

Een van de laatste zalen was bijna leeg. Alleen het bed in de hoek was bezet, maar de vrouw die daar lag had haar hoofd afgewend. Waren dat de haren van mijn moeder? Toen ik voorzichtig dichterbij stapte zag ik haar arm bovenop de deken liggen. Was dat de hand van mijn moeder? Ik wist het bijna zeker. Op dat moment kwam er een man de kamer binnenstappen met voor zijn buik een grote fruitmand met een ananas en allerlei blikjes erin. Wat doe jij hier, zei hij. Ik rende de gang op.

Even later stond ik op straat voor de ingang van het ziekenhuis, kwaad op de meneer die de grote deur voor me had opengehouden en daarbij zelfs nog had gezegd gaat uw gang jongeheer, kwaad op mezelf dat ik niet overal had kunnen zoeken naar mijn moeder omdat ik de weg was kwijtgeraakt in de lange gangen die allemaal op elkaar leken. Op een lantarenpaal schuin tegenover het ziekenhuis zat een grote meeuw met lichtgrijze vleugels die zijn vervaarlijke gele snavel opensperde en schreeuwde, schreeuwde. Ik wist wat hij bedoelde. Hij kon zijn moeder niet vinden.


Oct 28 2017

Til mij op met duizend vogels : de crowdfunding is een doorslaand succes

De crowdfunding voor Til mij op met duizend vogels is geslaagd. Het boek verschijnt eind November.

Wil je de eerste hoofdstukken van het boek lezen? Hier vind je de verhalen, met de tekeningen van Jos Zwarts.

Wil je een boek alvast bestellen? Gebruik het bestelformulier. Reserveer nu en je krijgt als eerste het boek toegestuurd!

 

 


Oct 28 2017

Ekster

Mijn eerste dag op de nieuwe school. De juf had mij ergens aan de zijkant van de klas gezet, middenin een groepje meisjes, naast een jongen die Fred heette. Fred kon me minutenlang aanstaren zonder ook maar één keer met zijn ogen te knipperen.

Het was woensdagmorgen, we kregen Natuurlijke Historie. Speciaal daarvoor kwam de meester van de vierde klas naar ons toe. Meester Risseeuw leek mij een heel rustige man. Hij rookte niet. En hij kon goed zwijgen. Hij ging voor de klas staan en keek alle kinderen stuk voor stuk aan, ook mij. Het werd vanzelf stil.

Net op het moment dat meester Risseeuw iets wilde gaan zeggen kwam er van buiten een merkwaardig geluid. Het klonk als Tsjink, hoog en metalig. Horen jullie dat, vroeg de meester. Ik had jullie eigenlijk willen vertellen over de zwaluw, de vogel die niet tegen ruzie kan. Maar nu ik dit hoor ga ik een heel ander verhaal vertellen. Over een ekster, want het is een ekster die dat merkwaardige geluid maakt. Tsjink, zei de ekster, precies op dat moment, alsof ze het zo hadden afgesproken, alle kinderen begonnen te lachen.

Het is nog niet zo lang geleden, begon de meester, Walcheren was pas bevrijd van de Moffen. Maar als ik naar buiten keek vanuit mijn ouderlijk huis in Ritthem, dan werd het mij droef te moede. Denk je eens in, alle bomen dood. Alle struiken. De sloten dichtgeslibt. Het land grauw en kaal, grote plassen zilt water op de akkers. En het ergste voor mij, datgene wat mij om het hart sloeg elke keer als ik naar buiten ging: geen vogels. De lucht leeg. Ik vreesde een voorjaar zonder het gezang van de vogels.
Tot er aan het eind van de winter een vogel terugkeerde. Hij ging bovenin de hoogste boom van Ritthem zitten, bovenin een dode populier, en dacht, hier bouw ik mijn nest. Die vogel was, dat hebben jullie natuurlijk allang geraden, een….. 

Ekster, riepen alle kinderen in koor.

Precies. Nou moet ik jullie eerlijk toegeven dat ik helemaal niet zo dol ben op de ekster, want in het voorjaar kan het een rover zijn die de nestjes van de zangvogels plundert. Maar toen was ik blij dat er weer leven kwam in de natuur.

De eksters bouwden wekenlang aan hun nest, hebben jullie dat wel eens gezien?

Geen van de kinderen zei iets.

Het zag er uit als een slordige takkenbos bovenin de boom. Moeder ekster ging zitten broeden. Vader ekster kwam elke dag rond ons huis gescharreld op zoek naar iets eetbaars.
Rond die tijd raakten wij in huis van alles kwijt. Een theelepeltje van de NCRV, nergens meer te vinden. Het knijpbrilletje van mijn vader, foetsie. Het schaartje uit de naaigarnituur van mijn moeder. Daar was ze bedroefd over, een zilveren schaartje, een erfstuk. Ze had in de tuin, in het voorjaarszonnetje zitten verstellen, even het naaigoed neergelegd om theewater op te zetten. Ze komt terug, schaartje verdwenen.
Maar daar in die tuin lag een aanwijzing. Het was een veer. Dun en lang, wel dertig centimeter, donker blauw, met een groene glans. Ik wist wat het was. Een veer uit de staart van een ekster. De eksters moesten de booswichten zijn! Want ik had de verhalen wel eens gehoord, over de diefachtige ekster die zo houdt van alles wat blinkt. Daar zijn liederen over gemaakt, zelfs een complete opera!

Het nest zat heel hoog. Ik was een jongen van zestien, nu zou ik dat niet meer zo makkelijk doen, ik klom zo de boom in. Halverwege kwamen de eksters mij aanvallen, ze krijsten en vlogen vlak langs mijn hoofd en probeerden me te pikken in mijn benen. Heel moedig van ze, want ik was natuurlijk veel groter dan zij. Na een hele klauterpartij kwam ik bij het nest. En wat vond ik daar?

Het schaartje, riep een meisje achter me. De knijpbril van uw vader, riep een ander.
Meester Risseeuw schudde zijn hoofd. Drie jonge vogeltjes, zei hij, nog zonder veren, ze zagen eruit als kleine geplukte kipjes. Maar geen schaartje, geen bril, geen theelepeltje. De rand van het nest was bestreken met modder, een beetje zoals de zwaluwen doen, maar niets blinkends, geen versieringen. De verhalen die worden verteld over de ekster kloppen niet. Ik klauterde naar beneden. Thuis ging ik nog eens goed zoeken, en jawel, het schaartje van mijn moeder lag in het hoge gras. Alleen het theelepeltje hebben we nooit meer teruggevonden.

Eén ding wil ik nog vertellen. Toen ik daar zo bovenin die boom zat, bij het nest en de drie jonkies, toen zag ik voor me dat ik als jong vogeltje op de rand van het nest zat. Stel je voor, dat je jezelf voor het eerst in de diepte moest storten. Van zo hoog! Als je nog nooit gevlogen hebt. Denk je eens in, hoeveel durf daar voor nodig is.

Het verhaal van meester Risseeuw had me zo vrolijk gemaakt, dat ik de hele weg van school naar huis liep te huppelen. Zo snel mogelijk overgaan naar de vierde klas, dat was mijn plan. En daar dan altijd blijven.

***

Ik was nog maar net thuis toen de telefoon in de hal begon te rinkelen. Woensdag om half een, dan was Vader er nooit, dan zat hij met de andere officieren op de kazerne een uitsmijter te eten. Wie belde er nou juist op dat moment? Het was mijn moeder, vanuit het hospitaal. Ze sprak zo zachtjes, ze fluisterde bijna, ik kon maar net verstaan wat ze zei : Lieve jongen, zei ze, dit moet een geheimpje blijven tussen ons beiden, praat er met niemand over, alsjeblieft, ik wilde zo graag even je stem horen.

Ik stond op de witte marmeren platen van de gang. De telefoon hing boven mijn hoofd, de bakelieten telefoonhoorn was zo zwaar dat ik hem met twee handen omhoog moest houden, maar dat gaf niet, uren zou ik dat kunnen volhouden.

Mijn moeder wilde van mij weten wat ik geleerd had op school, met welke vriendjes ik knikkerde in het speelkwartier, welke kleren ik vandaag had aangetrokken, of ik elke dag mijn drie glazen melk dronk. Ze sprak zachtjes, soms aarzelde ze bij de gewoonste woorden. Ik ging een propje watten in mijn broekzak stoppen voor de volgende keer, om in mijn andere oor te stoppen. Dan kon ik haar nog beter horen.

Haar adem ruiste in de telefoon toen ik vrolijke dingen vertelde uit de afgelopen dagen, een mooie stuiter die ik had gewonnen op het schoolplein, een mopje van de onderwijzer. Maar dan kwam er op onverwachte momenten een draai in haar stem en begon ze aan de andere kant van de lijn haar neus te snuiten dat het toeterde in mijn oren.

Praten over school was niet zo moeilijk. Opeens begon ze over het humeur van Vader, zijn buien. Of Vader wel zorgde dat er warm eten was elke dag. Of Vader mij wel eens vroeg hoe het ging op school. Voor mij in het witte marmer van de gang opende zich een afgrond die dieper en dieper werd, tot ik er niet meer in durfde te kijken en mijn ogen strak gericht moest houden op een roestige schroef die vlak onder de telefoon in de muur was gedraaid.
Zoveel dingen die ik niet kon vertellen, of waarvan ik niet helemaal zeker was of ik ze mocht vertellen. Ik ergerde me aan mijn eigen gestamel, op zoek naar de fijne verhalen waarvan ik hoopte dat mijn moeder juist die wilde horen.

Dat vader veel zat na te denken in zijn luie stoel. Dat hij hele mooie torpedo’s kon draaien van zijn zware shag, steeds mooier (daar moest mijn moeder om grinniken). Dat mijn vader elke morgen een boterham met kaas voor me neerzette, voor hij naar de kazerne vertrok. En een kop thee, natuurlijk, ook al had ik liever een glas melk. Hoe lekker de nasi van de kazerne was vorige week, met sateetjes erbij en pindasaus. Zoveel, daar konden we dagen van eten.

Zo maakte ik mijn moeder blij. Maar niet blij genoeg. Ik moest er beter over nadenken, dat ik precies de goeie woorden wist als ze nog een keer belde.